Signaleringen

 

Betrokken burgers kunnen het groenbeheer overnemen, maar niet overal

Gemeenten moeten bezuinigen. Een van de eerste posten op de begroting waarop wordt gekort is het onderhoud van het groen. Het gras wordt minder vaak gemaaid, vaste planten en ander siergroen wordt verwijderd en nieuwe investeringen in een groene leefomgeving worden zeldzaam. In de economische crisis van de jaren ’80 werden ‘reststukjes’ plantsoen uitgegeven aan bewoners. In deze crisis wordt het beheer van het groen graag uitbesteed aan vrijwilligers. De vraag naar en de behoefte aan een groenere leefomgeving is immers groot. Braakliggende bouwgronden in de stad worden in gebruik genomen als moestuin en grijze tegels worden eruit gewipt om groene stoepen te maken.
De vraag van burgers naar een groenere stad wordt door de overheid graag benut. Om meerdere redenen. Door het beheer over te laten aan bewoners, wordt bespaard op de onderhoudsbudgetten. Belangrijker nog is, dat bewoners het samen doen. Zij organiseren in hun buurt een ‘groenploeg’. Buren werken samen aan het verbeteren van hun buurt. Want het gaat niet alleen om die bomen, dat bloemenveldje of moestuin, het brengt eerst en vooral mensen samen. Zo is ‘groenbeheer’ een middel tegen vervuiling, eenzaamheid en tegenstellingen en vóór contact, kennismaking en hulp.  Het uitbesteden van het beheer van de groenvoorzieningen in de stad is dus een middel geworden om mensen bijeen te brengen. De gemeenten steunen van harte alle initiatieven van betrokken burgers die sociaal willen ondernemen in het groen. Er zijn subsidies en er zijn werkconferenties waar ambtenaren zoveel mogelijk initiatieven leren kennen.

Het is een prima zaak als groen extra ondersteuning krijgt. Wel stuit het ongecontroleerd overdragen van verantwoordelijkheden op bezwaren. Aanleg en beheer van andere onderdelen van de openbare ruimte zoals  verlichting,  bestrating of waterhuishouding, worden ook niet overgelaten aan buurtinitiatieven. Het kan niet overal en de gemeente moet kunnen beoordelen welk initiatief waar mogelijk is. Overzicht en deskundigheid zijn nodig. Niet alles kan worden geprivatiseerd.

Wellicht is het een idee dat de gemeenten kaarten maken waarop te lezen is welke gebieden in aanmerking kunnen komen voor buurtinitiatieven in het groen. Op de gemeentelijke website kunnen bewoners inschrijven voor gebieden die daarvoor in aanmerking komen. De gemeente houdt de regie en draagt zorg voor de hoofdstructuur.

 

Geef corporaties een rol in de openbare ruimte

Als je deze dagen door een naoorlogse stadswijk loopt is de kans groot dat er een grootschalig renovatieproject gaande is. Overal zijn aannemers bezig de verouderde woningvoorraad van de corporaties grondig onder handen te nemen. Bij de aanpak van de wijken wordt geïnvesteerd in leefbaarheid, in  sociaal, economisch en ruimtelijk opzicht. Corporaties renoveren, verkopen en slopen woningen met als doel om verpaupering tegen te gaan en een meer gevarieerd woningaanbod te creëren. Wat opvalt is dat de investeringen in de openbare ruimte nog vaak achterblijven. Het groen in de wijk wordt wel aangepakt, maar tegen minimale investeringen, met als gevaar dat de leefbaarheid snel weer achteruit holt. Door de crisis hebben gemeenten op dit moment weinig financiële middelen om duurzaam in de publieke ruimte te investeren.

Nog maar enkele jaren geleden was dit anders. Vanuit het Rijk was er geld beschikbaar voor stedelijke vernieuwing. Deze inmiddels afgeschafte ISV-middelen waren vooral belangrijk als ‘aanjager’ voor andere partijen. Woningcorporaties kregen volop ruimte om mee te beslissen over (en mee  te betalen aan) de openbare ruimte.  Er zijn vele voorbeelden van geslaagde vergroening die mede dankzij corporaties tot stand zijn gekomen. In  Groningen werd het onveilige en verouderde Bessemoerpark heringericht, in Dordrecht kreeg gelijktijdig met de vernieuwing van de wijk het Wielwijkpark een grondige opknapbeurt en in Amsterdam-West nam corporatie Ymere het initiatief voor de aanleg van moestuinen voor bewoners. En dat zijn nog maar enkele voorbeelden.

Na de laatste  parlementaire enquete is er sprake van dat corporaties zich zouden moeten terugtrekken op hun ‘kerntaak’. Het zou een gemiste kans zijn als daarmee hun rol in de openbare ruimte is uitgespeeld. Hun huurders zijn immers de eindgebruikers.

Groen

 

Gebruik aardgasbaten voor hernieuwbare energie

Je kunt ongelooflijk mooi wonen in Groningen. Zowel in de stad als in de provincie zijn bijzonder aantrekkelijke plekjes te vinden. Toch aarzelen veel mensen om er heen te trekken. Je weet namelijk niet weer je aan toe bent. De bodem wordt soms letterlijk onder je voeten vandaan geslagen. Het rommelt er in elk geval altijd. Groningen was al nooit zo’n trekpleister door het gebrek aan werkgelegenheid, maar het heeft nu een extra zware handicap er bij gekregen.

Het is vreemd dat de overheid geen voorziening heeft getroffen om de problemen met de dalende bodem op te vangen. Al vrij snel na de vondst van het aardgas in 1959 werden berekeningen gemaakt met hoeveel centimeter de grond op verschillende plaatsen zou zakken. Daar is dus niets mee gedaan. Jarenlang heeft Nederland Groningen als wingewest behandeld en profijt getrokken van het gas. Van de 211 miljard euro die sinds 1960 aan het aardgas werd verdiend, ging het grootste deel op aan sociale zekerheid (52 miljard), bestuur, veiligheid en infrastructuur (30 miljard). Slechts een paar procent daarvan ging naar het noorden. En nog steeds behandelt de rijksoverheid het noorden als een kolonie.

Nog vreemder is het dat de overheid niet echt heeft willen voorkomen dat er schades en verzakkingen optreden. Een deel van de opbrengsten had besteed moeten worden aan de ontwikkeling van kennis en efficiënte toepassingen van hernieuwbare energie. Dat had kunnen voorkomen dat er op zo’n gigantische schaal ellende werd veroorzaakt. Het had Nederland ook veel kennis en werk kunnen opleveren over de vraag hoe om te gaan met toekomstige vormen van energie. Want één ding weten we zeker: de fossiele brandstoffen raken op en geven ongezonde en vieze luchtjes. Met zo’n investering in hernieuwbare energie hadden moeilijke discussies over het gebruik van kernenergie, steenkool, windenergie, schaliegas en fossiele brandstoffen kunnen worden vermeden, was Nederland koploper geweest op het gebied van energie, zag de toekomst van het noorden er een stuk gezonder uit en was Nederland politiek minder afhankelijk geweest van het buitenland.

Wat niet is kan nog komen. Maar dan moet wel als de wiedeweerga geld van de aardgasbaten beschikbaar worden gesteld om dat mogelijk te maken. Dan heeft de bouwsector, zeker in het noorden, geen subsidie meer nodig.

 

Verouderde winkelstrips verdienen een doorstart

Veel winkelplinten in wijken die in de jaren ’50 en ’60 zijn gebouwd, leiden een zieltogend bestaan. In sommige gevallen staat meer dan de helft van de winkels leeg. Toch verdienen ze een nieuw leven.  De wijkgedachte achter de plint is nog springlevend, maar moet op een andere manier vorm worden gegeven. Verbouwing is nodig, geen afbraak.

Volgens een schatting van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn er tussen de vier- en vijfhonderd winkelstrips uit de wederopbouwperiode die niet of niet meer volledig functioneren. Opvallend genoeg zijn de wijken waarin ze liggen in de afgelopen jaren juist flink aangepakt. Denk aan het krachtwijkenbeleid, dat heeft gezorgd voor meer variatie aan woningen, een verbeterde openbare ruimte en meer voorzieningen. Winkelstrips hebben blijkbaar moeite om mee te profiteren van die ontwikkeling. Soms is het effect zelfs averechts en blijven de oorspronkelijke winkels als het kind van de rekening achter.
Inmiddels zijn de ambities voor de vernieuwing van wederopbouwwijken teruggeschroefd. Plannen voor vernieuwing van winkelstrips zijn gesneuveld of worden vooruitgeschoven. De gevolgen zijn zichtbaar: veel leegstand, grauwe panden met half of geheel dichte ramen en een verouderde en weinig aantrekkelijke buitenruimte. Daartussen bevinden zich nog ondernemers die het op eigen kracht volhouden, meer ondanks dan dankzij de omgeving. Niet alleen voor de winkeliers en de direct omwonenden is die situatie vervelend, maar voor de hele omgeving. Verpauperde winkelstrips houden het achterstandsstempel in stand van wijken die eigenlijk klaar zijn voor een sprong naar voren.
Winkelstrips verdienen een doorstart. Ze maken deel uit van de wederopbouw-architectuur, waarvan de architectonische waarde steeds meer in de belangstelling komt. In de jaren vijftig was het een vooruitstrevende gedachte dat elke wijk of buurt een vaste plek moesten krijgen waarin winkels en voorzieningen waren geconcentreerd. Het idee dat de invulling daarvan helemaal van bovenaf kan worden bepaald, met gedetailleerde omschrijvingen van wat er precies mocht worden verkocht (of geschonken) doet nu ouderwets aan. Maar de wijkgedachte heeft niets aan actualiteit verloren. Juist in deze tijd zouden winkelstrips een spilfunctie kunnen vervullen. Steeds meer maatschappelijke voorzieningen verhuizen immers naar de wijk, zoals WMO-voorzieningen. Dankzij veranderingen in de economie is er ook steeds meer behoefte aan flexibele ruimte voor kleinschalige activiteiten; ruimte voor start ups en zzp-ers, tijdelijke winkelruimtes, ruimte voor maatschappelijk verantwoord ondernemen of ruimtes waarin werken en leren kan worden gecombineerd. Winkelstrips zouden daar uitermate geschikt voor zijn.

Hoopgevend is dat juist winkelplinten kansen bieden voor een integrale aanpak. Er is meer ruimte voor experiment dan in een gewone winkelstraat. Meestal hebben ze een doorlopende gevel, wat kansen biedt voor een vormgeving met een herkenbare uitstraling. Vaak is er veel buitenruimte, soms met een luifel, waardoor de scheiding tussen binnen en buiten kan worden versoepeld of waarin kleinere en verplaatsbare verkooppunten kunnen worden neergezet. Het vraagt wel om een andere manier van denken. Minder gericht op vierkante meters winkeloppervlak, meer op de kwaliteit van de winkelstrip als geheel. Een voorwaarde is dat de betrokken partijen – eigenaren, overheden en ondernemers – erkennen dat oude tijden niet meer terugkeren. Het aantrekken van ‘gewone’ huurders is voor veel winkelstrips een gepasseerd station.

Nieuwwest 033

 

Breek oude plinten niet af maar geef ze een nieuw leven

Als je van het Utrechtse Centraal station loopt naar de Leidsekade  moet je een enorme kale vlakte oversteken. Hier en daar staat een gebouw. Vaak waait het daartussen vlagerig hard en heeft de gemeente pogingen gedaan om op sommige plaatsen wat groen aan te brengen. Helaas maakt dat het gebied niet aantrekkelijker. Er zijn in veel Nederlandse steden van die open, tochtige ruimten, waar het groen en de individuele gebouwen het desolate karakter van zo’n gebied versterken. Als voorbeelden kunnen genoemd worden de ruimte voor het Haagse centraal station, waar voetgangers en fietsers elkaar bovendien onhandig kruisen, het Amsterdamse Surinameplein, maar ook de Westblaak in Rotterdam en de Wibautstraat in Amsterdam zijn nog steeds grote anonieme ruimtes in de stad.

Tot de Tweede Wereldoorlog werd in de steden compact gebouwd. Daarbij vormen de wanden van de gebouwen in de straten het decor van het stedelijk leven. Daarna zijn de individuele bouwblokken een steeds grotere rol gaan spelen in de stadsuitbreidingen. Schaamgroen, infrastructurele holen en gaten en verlaten parkeerterreinen domineren de stad uit die periode. Ook in de Vinexwijken zijn de wanden niet terug gekomen. In die wijken is vaak heel veel lucht, ruimte en wind. Dat is op zich niet erg omdat het past bij het karakter van die stedelijke uitbreidingen. Erger wordt het als je ook in de vooroorlogse wijken de wanden wilt afbreken en nieuwe tochtgaten in het stedelijke weefsel aanlegt. Dan verknal je de wijken met een echt stedelijk karakter.

In de jaren zeventig probeerden ze de 19e-eeuwse wanden ook al af te breken. Dat is in veel wijken niet gelukt en dat heeft gelukkig geleid tot een herwaardering en revitalisering van die wijken. De wanden in die wijken geven die stedelijke omgeving karakter die past bij de bewoners. Houdt dus de wanden in de oude stad in stand en doorbreek ze niet. Dat geldt ook voor de bouwperiode in de jaren vijftig, toen tussen de woonblokken winkelplinten werden geïntroduceerd. Inmiddels is het concept uitgewerkt, maar het markeert een periode in de stedenbouw die moet blijven. Initiatieven die deze plinten een nieuwe bijdrage aan het stedelijke leven kunnen geven ondersteunen wij van harte.

 

De Mooie Stad vraagt om langzame verbindingen verbinden met het Mooie Buiten

Lees meer...
Gebieden waar het verleden nog zichtbaar is, zijn aantrekkelijk. Als de ontstaansgeschiedenis van een plek leesbaar is in de verkaveling, de buitenruimten en de gebouwen, voel je je deel van een groter geheel. Veel mensen voelen zich graag verbonden met hun leefomgeving. In sommige gebieden is de 17de eeuw nog aanwezig, in andere overheersen de ontwikkelingen uit de laatste 10 jaar. De eerste zijn zeldzamer, maar ook nieuw ingerichte omgevingen kunnen hoog gewaardeerd worden. In een leefomgeving die gewaardeerd wordt, zijn nieuwe ontwikkelingen ingepast in de oude structuur van het landschap. Aan de kanalen en kades is te zien hoe vroeger het transport en de handel over het water verliepen, aan oude dijken is te zien hoe het land op het water is veroverd, woonlinten tonen hoe van oudsher de relaties met andere steden waren, militaire verdedigingswerken tonen de verschuivingen in politieke macht.

In een rijke leefomgeving zijn verschillende gebieden op een lokale schaal – op ‘fietssnelheid’- met elkaar verbonden. Deze verbindingen – daar waar ze ontbreken – kunnen worden gelegd op het cultuur-historische netwerk van waterkeringen en waterlopen. In Holland lopen de kanalen, rivieren en riviertjes en de dijken van het buitengebied tot in het centrum van de steden. Daar waar de verbindingen verloren zijn gegaan dienen ze hersteld te worden. Met moderne aanpassingen voor langzaam verkeer en in combinatie met ecologische waarden ontstaat een omgeving waar mensen graag wonen, werken en recreëren.

 

Geef groene buffers in stedelijk gebied zoveel zeggingskracht dat uiteindelijk iedereen de verleiding tot bouwen kan weerstaan

Lees meer...
Parallel aan de kust liggen de Hollandse steden op een rij. Vroeger waren het trotse bastions die zelf hun eigen zaken regelden. Tegenwoordig ligt er een bijna onafgebroken strook van bebouwing langs de kust met soms moeilijk definieerbare woon- en werkgebieden. De relatie tussen zee, duinen en strandwallen, polders en achterland is nog maar op een aantal plaatsen intact. Al ruim een halve eeuw wordt geprobeerd om de schaarse open ruimtes tussen Leiden, Voorschoten, Wassenaar, Leidschendam en Den Haag te beschermen. Voor de toekomstige Groene Buffer bij de woningbouwlocatie Valkenburg, bij Leiden, zijn inmiddels vijf scenario’s opgesteld. Een andere groene ruimte in dit gebied is de Duivenvoordecorridor, vernoemd naar het gelijknamige kasteel. Het gebied is een verbindingszone tussen de duinen bij Wassenaar en het Groene Hart. Het oorspronkelijke plan om 250 woningen te bouwen in het gebied is onlangs gesneuveld door tegenvallers in de grondexploitatie. Een tegenvaller? Of een kans op een nieuwe aanpak, waarin niet langer de directe economische waarde voorop staat, maar de waarde van een onvervangbaar landschap voor de regio? Laten we nadenken hoe we deze weilanden zoveel zeggingskracht kunnen geven dat op een gegeven moment zelfs de wethouder, de projectontwikkelaar en de otter weer denken: ‘hier kom ik graag, zo is het goed’.

 

Er is meer onderzoek nodig naar veilig gebruik van fietsinfrastructuur

Lees meer...
Er zijn eigenlijk steeds minder redenen om niet te fietsen in Nederland. Zowel in stedelijk als in landelijk gebied liggen vrije fietspaden. Gelukkig is het meestal droog en kun je dankzij de OV-fiets overal komen. In de jaren zestig en zeventig, toen het autobezit in hoog tempo groeide, was er aanvankelijk alleen maar aandacht voor de auto. Hele wijken zijn daarvoor afgebroken of stonden op de nominatie om afgebroken te worden. Niet geheel zonder geweld werden bestuurders gedwongen om de stad, maar ook het platteland, terug te geven aan bewoners en bezoekers op de fiets. Dat leidde in de loop van de jaren tot een uitstekende fietsstructuur met over het algemeen goede fietsvoorzieningen in Nederland.

Toch heeft dat niet geleid tot een rustiger fietsbeeld. Regelmatig zie je fietsers tegen de stroom in fietsen zonder dat ze opzij gaan. Bloedlink! Massa’s fietsers zijn met heel andere dingen bezig – bellen, kijken of ze al nieuwe whatsappjes binnen hebben – dan met fietsen. En dan hebben we nog de racefietsers die als verkapte automobilisten op het fietspad scheuren en het toenemend aantal e-bikers waarvan je niet verwacht dat ze zo snel gaan. Het is dan ook geen wonder dat er een toenemend aantal ongevallen is tussen fietsers. Ondanks de prachtige fietsstructuren in ons land wordt het er dus niet veiliger op. We hebben het de fietser volop naar de zin gemaakt, maar daarbij hebben we ook een afslag gemist. Meer onderzoek is nodig naar beïnvloeding van fietsersgedrag en veilig gebruik van fietsinfrastructuur.

 

Het ontbreekt nog aan een lokale aanpak voor ecologische verbindingszones

Lees meer...

Op verschillende plaatsen in het land zie je ze staan: de ecoducten. Dat zijn viaducten waar dieren ongehinderd spoorlijnen en wegen kunnen kruisen. Ze zijn onderdeel van het rijksbeleid om de versnipperde natuurgebieden in Nederland met elkaar te verbinden. Die aanpak moet leiden tot een ecologische hoofdstructuur (EHS), waarin de biodiversiteit wordt bevorderd.

Deze ontwikkeling sluit aan op een trend waarin duurzaamheid, milieu en dierenwelzijn steeds belangrijker wordt gevonden. Alleen is dat in de praktijk blijkbaar lastig te realiseren. Zo werden in het kabinet Rutte I verbindingszones geschrapt, de grondverwerving gestopt en zouden er na 2021 geen investeringen meer worden gedaan. Gelukkig werd in het regeerakkoord van het kabinet Rutte II toch weer afgesproken dat de EHS toch zou worden aangelegd, inclusief verbindingszones. Wel wordt er extra tijd voor uitgetrokken. In plaats van in 2018 moet het nu in 2027 zijn afgerond zijn.

Die trend van vergroening zie je in de stedelijke gebieden nog wat sterker. Stadslandbouw, stadsnatuur en de bevordering van de leefbaarheid hebben al geleid tot flink wat initiatieven in de wijken. Door veel bewonersgroepen wordt daar al overleg over gevoerd, maar in de praktijk zie je daar in de stad (nog) weinig van terug. Als je al ziet heeft dat meestal te maken met de overheid die het water als argument gebruikt om gebieden opnieuw in te richten. Maar vaak is het ook een alibi om de stad te verdichten met nieuwe gebouwen.

In de stad is van een ecologische hoofdstructuur weinig te zien. Net als landelijk zijn de kruisingen met de infrastructuren voor de natuur een groot probleem. Maar het probleem ligt eigenlijk veel dieper. Vaak is er namelijk zelfs geen plan om die trend van ecologische zones te realiseren. Daar moet toch iets op te bedenken zijn. Wij zijn er klaar voor.

 

Stadsverwarming heeft meer kansen als kleinere gemeenten de handen ineen slaan

Lees meer...

In het afgelopen decennium is het aantal huishoudens dat aangesloten is op een warmtedistributie-netwerk meer dan verdubbeld, van 250.000 naar 550.000. Waar begin vorige eeuw de energie voor de stadsverwarming werd geleverd door kolencentrales, wordt nu gebruik gemaakt van restwarmte uit de industrie en verbranding van biomassa. In het kader van verduurzaming van de maatschappij worden verschillende initiatieven ontplooit om op grote(re) schaal gebruik te maken van warmtedistributie. Zo is in Zuid-Holland onlangs het plan gepresenteerd om een grootschalig leidingennetwerk aan te leggen dat een groot deel van de provincie bedient.

Het valt te verwachten dat in de toekomst meer van dit soort plannen in samenwerkingsverbanden tussen provincies, Rijk en energieleveranciers doorgang vinden. Veel grote gemeenten zijn al aangesloten op dergelijke netwerken. Voor kleinere gemeenten liggen kansen in het vroegtijdig signaleren van dergelijke initiatieven en hier in de planvorming rekening mee te houden. Gebruik van deze vorm van duurzame energie kan voor een belangrijk deel bijdragen aan de klimaatdoelstellingen van gemeenten. De subsidiemogelijkheden vanuit Rijk en provincie zijn legio. Omdat de investeringen in infrastructuur voor warmtetransport fors zijn, verdient het aanbeveling voor kleinere gemeenten om de handen ineen te slaan. Waar nu al op veel terreinen regionaal wordt samengewerkt zou dit ook voor aanleg en distributie van energie aan de orde moeten zijn. Intergemeentelijke samenwerking in de planvorming kan projecten rendabel maken en de kansen voor (Europese) subsidies vergroten.

 

Met een slimmere financieringsmethodiek kunnen gemeenten veel meer uit hun stations en stationsomgeving halen

Lees meer...

Het is voor veel reizigers in het openbaar vervoer een bekend gevoel. ‘Ik moet hier zo snel mogelijk vandaan, want deze plek is onaangenaam’. Het probleem is dan waarschijnlijk dat de verschillende functies van een station, of een ander OV-knooppunt, elkaar in de weg zitten. Er is bij de inrichting geen duidelijke keuze gemaakt tussen de vervoersfunctie (parkeren, overstappen, de routes rond het station) en de verblijfsfunctie (een prettige en voetgangersvriendelijke omgeving, wonen en werken nabij het station). Het gevolg is dat de kwaliteit van beide onder de maat blijft.

Opvallend genoeg lijken vooral nieuwe stations last te hebben van dit verschijnsel. In het onlangs verschenen rapport Kiezen en Delen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) worden Pijnacker-Zuid en Leidschenveen genoemd als stations die met dit probleem hebben te maken. Op papier klopt hier alles; het aantal reizigers, de dichtheid van de bebouwing. Maar de foto van station Pijnacker-Zuid laat zien dat het eindresultaat niet optimaal is. Het kan mooier en beter. Een hogere verblijfskwaliteit zou zowel het gebruik van het OV stimuleren als de waarde van de bebouwing in de omgeving laten stijgen. En minder reizigers hebben het ‘haal me hier vandaan’ gevoel, ook dat is wat waard.

In Kiezen en Delen wordt ook een oplossing genoemd voor het probleem: de investeringen in infrastructuur en in ruimtelijke ontwikkeling zouden minder strikt van elkaar gescheiden moeten zijn. Het budget is nu vooral gericht op de financiering van grootschalige infrastructuur. Het zou eenvoudiger moeten worden om investeringen in de kwaliteit van de station of in omliggende wijken mee te betalen uit het budget voor infrastructuur. Dat kunnen ook kleinschalige en relatief goedkope oplossingen zijn.http://www.bosch-communicatie.nl/wp-content/uploads/2014/11/Pijnacker-Zuid.jpg